

Artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de partneralimentatieplicht van een gewezen echtgenoot of geregistreerd partner van rechtswege (en definitief) eindigt als de alimentatiegerechtigde opnieuw trouwt, een geregistreerd partnerschap aangaat, of samenleeft met een ander “als waren zij gehuwd of hadden zij hun partnerschap laten registreren”. Een sanctie met verstrekkende en blijvende gevolgen dus.
De toevoeging “als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren” levert veel voer op voor discussie en kleurrijke, uiteenlopende jurisprudentie. Immers vereist zulks een duurzame affectieve relatie, een feitelijke samenwoning, het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging door de samenlever, hetgeen bewezen moet worden door de gewezen echtgenoot of geregistreerd partner.
U voelt het al aankomen: een kwestie van bewijsproblematiek dus. Maar ook een kwestie van rechterlijk maatwerk, zoals onder meer blijkt uit twee recente uitspraken met een verschillende uitkomst.
In een uitspraak van de rechtbank Gelderland d.d. 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8769, had de gewezen echtgenote (de vrouw), in verweer op de aanspraak van haar ex-echtgenoot (de man) op partneralimentatie, gesteld dat de man sedert het uiteengaan van partijen met zijn nieuwe partner samenwoonde als waren zij gehuwd. Ter onderbouwing van die stelling had de vrouw een rechercherapport van een detectivebureau overgelegd.
De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat het feit dat de man en zijn nieuwe partner ieder nog een eigen woning aanhouden, op zichzelf niet uitsluit dat sprake is van samenleven als gehuwden, onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 19 november 20224 (ECLI:NL:HR:2004:AQ7380). Volgens de rechtbank is voor het aannemen van de samenwoning echter wel duidelijk zijn dat het zwaartepunt van het verblijf in één van beide woningen ligt, dan wel dat betrokkenen het grootste deel van de tijd bij elkaar doorbrengen, wisselend in de ene en de andere woning. Uit het door de vrouw overgelegde rechercherapport blijkt dat de man en zijn nieuwe partner gedurende de gehele observatieperiode in de woning van de man aanwezig waren, zowel samen als afzonderlijk van elkaar. Daarnaast hebben zij elkaars huissleutel, doen ze samen boodschappen, gaan ze samen winkelen, rijden ze samen in de auto van de man en hebben ze de tuin van de man met kerstverlichting versierd. De rechtbank overweegt dat de man zijnerzijds niet voldoende heeft weersproken hetgeen door de vrouw ter zake gemotiveerd is gesteld. Zo heeft hij geen inzicht gegeven in hoe hij en zijn nieuwe partner hun leven met elkaar vormgeven, heeft hij geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij beiden een eigen woning aanhouden (zoals afschriften van bankrekeningen waaruit blijkt dat ze ieder hun eigenwoonkosten betalen), noch stukken waaruit blijkt dat hij niet samenwoont (zoals een uitkeringsspecificatie waaruit zou blijken dat jij een AOW uitkering voor een alleenstaande krijgt). Voorts overweegt de rechtbank dat het op de weg van de man had gelegen om de stelling van de vrouw dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding voldoende te betwisten door te stellen – en zo nodig te onderbouwen – dat hij voor eigen rekening boodschappen doet. Op grond van al het voorgaande concludeert de rechtbank dat sprake is van samenwoning van de man met zijn nieuwe partner in de zin van artikel 1:160 BW.
In een andere recente uitspraak van het hof Den Haag d.d. 15 oktober 2025, ECLI:NL:GHDHA:2169, heeft de gewezen echtgenoot (de man), eveneens onder overlegging van een rechercherapport, gesteld dat zijn gewezen echtgenote (de vrouw) met haar nieuwe partner samenwoonde als waren zij gehuwd en op de voet daarvan een beroep op de beëindiging van zijn onderhoudsverplichting aan de vrouw gedaan. De vrouw erkende de relatie met haar nieuwe partner, maar betwistte dat zij met hem samenwoonde als waren zij gehuwd.
De rechtbankwees de vordering af. In beroep is het hof met de rechtbank van oordeel dat het detectiverapport onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de stelling dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW. Volgens het hof heeft de man ook in beroep onvoldoende aangetoond dat de vrouw en haar partner met elkaar samenwonen, elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.
De onderdelen wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding impliceren volgens het hof een zake verstrengeling, in die zin dat de betrokkenen financieel en/of anderszins elkaar het nodige verschaffen. Dat is waargenomen dat de nieuwe partner een huissleutel van de vrouw heeft, zich af en toe ontfermt over het kind van de vrouw, boodschappen meebrengt naar de woning van de vrouw en daar eet, de vrouw en haar kind in zijn auto meerijden en een keer samen op vakantie zijn geweest, is daarvoor volgens het hof onvoldoende. Het hof is van oordeel dat dergelijke gedragingen immers ook passen binnen een duurzame en affectieve relatie waarbij partijen elkaar niet wederzijds verzorgen of een gemeenschappelijke huishouding voeren. Daarmee is volgens het hof concluderend de wederzijdse verzorging en de financiële verwevenheid tussen de vrouw en haar nieuwe partner niet aangetoond.
Het hof gaat ten slotte nog kort in op de bewijspositie van de man en oordeelt dat in casu geen sprake is van omstandigheden die maken dat de vrouw tegenbewijs moet leveren voor de gestelde samenwoning, nu de man, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, en mede gezien het onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie, onvoldoende heeft onderbouwd.
Concluderend kan gesteld worden dat de rechtspraktijk laat zien dat de zware sanctie van een gehonoreerd beroep op artikel 1:160 BW niet lichtvaardig wordt toegepast. Degene die zich op de gevolgen van dit artikel beroept, heeft een zware stel- en bewijsplicht en zal met objectieve en deugdelijk onderbouwde feiten moeten komen, om zijn/haar stellingen te onderbouwen.
Voor wie een dergelijk beroep wenst te doen of met een dergelijk beroep wordt geconfronteerd, is degelijk juridisch advies op maat en bijstand van een gespecialiseerde familierecht advocaat dus geen overbodige luxe.