

Op grond van de wet heeft een legitimaris die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen, dan wel als er een met beheer belaste executeur in functie is, de executeur, aanspraak op inzage in en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft. Dit informatierecht moet ruim worden opgevat, maar is wel beperkt tot gegevens die de legitimaris voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft. De wet geeft de legitimaris dus geen algemeen recht op rekening en verantwoording en ook geen algemeen recht op inzage in het uitgavepatroon de erflater. Pas als de legitimaris voldoende aannemelijk maakt dat inzicht in het verloop van de bankrekeningen nodig is om de omvang van de legitieme vast te stellen, weegt zijn recht zwaarder dan het recht van de erflater en diens erfgenaam/partner op privacy.
In het kader van de berekening van de legitieme portie van een onterfde legitimaris, kunnen bankafschriften van voorafgaande aan het overlijden nodig zijn om de legitieme portie te berekenen en meer specifiek om te controleren dat er geen schenkingen zijn gedaan die van belang zijn voor de omvang van de legitieme portie.
Uit de heersende rechtspraak blijk dat het recht op deze bankafschriften afhangt van de bijzondere omstandigheden van het geval, en van de vraag of de legitimaris aannemelijk kan maken dat inzicht in het verloop van de bankrekeningen nodig is om de omvang van de legitieme portie vast te stellen. Is dat het geval, dan valt de belangenafweging die de rechter daarbij moet maken, uit in het voordeel van de legitimaris.
Een vrij recent voorbeeld van een uitspraak waarin voornoemde uitgangspunten zijn gehanteerd, is Rechtbank Midden-Nederland d.d. 1 april 2026.
In die zaak overweegt de rechtbank dat uit de financiële jaaroverzichten en de IB-aangiften blijkt dat de saldi van deze vier en/of-rekeningen vanaf 2019 over de jaren heen een geleidelijke stijging laten zien. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, mede vanwege het relatief bescheiden inkomen van erflater (AOW en pensioen), afgezet tegen de gebruikelijke kosten van levensonderhoud, die stijging er niet op wijst dat schenkingen zijn verricht die meegenomen zouden moeten worden bij de berekening van de legitieme portie.
Concluderend kan gesteld worden dat, hoewel de onterfde legitimaris dus ene ruim geformuleerd recht heeft op informatie, dit recht begrensd is door met name de privacy van de erflater en de eventuele langstlevende partner. Wordt door de legitimaris verzocht om inzicht in het verloop van de bankrekeningen, dan is het dus zaak om dat verzoek gemotiveerd te onderbouwen of (bezien vanuit de erfgenamen of de langstlevende) daartegen gemotiveerd verweer te voeren. Bijstand van een gespecialiseerde erfrecht advocaat is in dat geval geen overbodige luxe.